yoga, de groei van bewustzijn

YOGA, DE GROEI VAN HET BEWUSTZIJN

De bedoeling van het leven is om je bewust te worden. Het is niet alleen het doel van yoga. De hele levens-evolutie betekent alleen maar: steeds bewuster worden. Maar yoga betekent ook nog iets anders. De evolutie van het leven voert naar een steeds hoger bewustzijn, maar dat bewustzijn is steeds op iets of iemand anders gericht: je bent je van iets bewust, van een of ander object. Yoga betekent een dimensie binnen gaan waar geen object meer is en alleen bewust–zijn overblijft. Yoga is een methode om naar puur bewustzijn toe te groeien; niet bewustzijn ergens van, maar bewustzijn zélf.

Veelal wordt met de term ‘yoga’ gedoeld op de asana’s, de fysieke lichaamsvormen die een soepel lichaam op kunnen leveren. Tegenwoordig maken de mensen een potje van deze term door er allerlei namen en vormen bij te verzinnen dat totaal niets met de werkelijke aard te maken heeft. Power yoga etc. Dit is allemaal onzin; noem het gewoon gymnastiek.

de oorspronkelijkste definitie van Yoga volgens Patanjali is:

Het stilleggen van de omwentelingen van het denkend vermogen.

of zoals Krishna het in de Bhagavan Gita zegt:

“Yoga is het Eén worden met de God!”. 

Als je je ergens van bewust bent, dan ben je je niet bewust van dat bewustzijn. Je bewustzijn is ergens op gericht; je aandacht is niet gericht op de bron van het bewustzijn zelf. In yoga probeer je je van beide bewust te worden: van het objekt en van de bron. je bewustzijn richt zich naar twee kanten. Je moet je bewust zijn van het object en tegelijkertijd van het subject. Bewustzijn moet een brug met tweerichtingverkeer worden. Het subject mag niet verloren gaan, niet vergeten worden als je je richt op het object. Dat is het grondbeginsel van yoga. De tweede stap is: zowel subject als object laten vallen en alleen maar bewust zijn. Dat pure bewust–zijn is het doel van yoga. Ook zonder yoga groeit de mens naar steeds meer bewustzijn toe, maar yoga voegt er nog iets aan toe, draagt nog iets bij aan die evolutie van het bewustzijn. Het verandert en transformeert heel wat bij je. De eerste transformatie is een bewustzijn-naar–twee–kanten: jezelf niet vergeten als er iets anders is dat je aandacht opeist.
Hier ligt het dilemma: je bent je of érgens van bewust of je bent onbewust. Als er niets is buiten jezelf, dan val je in slaap; je hebt objecten nodig om bewust te blijven. Als je helemaal nergens mee bezig bent voel je je slaperig – je hebt iets nodig om je van bewust te zijn – maar als er teveel objecten zijn om je van bewust te zijn, dan voel je misschien een zekere slapeloosheid. Daarom kan iemand die te geobsedeerd is door gedachten de slaap niet vatten. Er blijven objecten, er blijven gedachten. Hij kan niet onbewust worden: z’n gedachten blijven z’n aandacht opeisen. En zo leven we.

Met nieuwe objecten worden we bewuster. Vandaar de hang naar iets nieuws, het verlangen naar iets nieuws. Wat oud is wordt vervelend. Als je een poosje met iets hebt geleefd, verlies je je bewustzijn ervan; je hebt het geaccepteerd en nu is je aandacht er niet meer voor nodig. Je raakt verveeld. Misschien ben je je bijvoorbeeld al jarenlang niet meer bewust van je vrouw of je man, omdat ze vanzelfsprekend geworden is. Je ziet haar gezicht niet meer; je kunt je de kleur van haar ogen niet eens herinneren. jarenlang heb je niet echt aandacht geschonken. Pas als ze dood gaat word je je er weer van bewust dat h/zij er was. Daarom raken man en vrouw verveeld. Allen wat geen beroep meer doet op je aandacht schept voortdurend verveling.
Dat is de manier waarop een mantra – een geluidsvibratie die steeds herhaald moet worden – je diep in slaap brengt. Als je een bepaalde mantra onafgebroken herhaalt, raak je verveeld. Er is niets mysterieus aan. Het constant herhalen van een bepaald woord verveelt je, je kunt er niet mee leven. Je begint je slaperig te voelen: je valt ook in een bepaald soort slaap: je wordt onbewust. Het hele geheim van hypnose berust eigenlijk op verveling. Als iets je geest  kan vervelen dan val je in slaap; je kunt in slaap gebracht worden.
Ons hele bewustzijn hangt af van nieuwe objecten. Daarom is er zoveel hang naar iets nieuws: nieuwe indrukken, nieuwe kleren, een nieuw huis, naar alles wat nieuw is niet per sé beter. Als er iets anders is voel je je bewustzijn plotseling krachtig opwellen. Dat is goed, want het leven is een evolutie van bewustzijn. Wat het leven aangaat is het goed. Als een samenleving uit is op nieuwe impulsen dan zit er schot in het leven, maar als zij verzandt in oude patronen en niet om nieuwe impulsen vraagt, dan sterft ze af: zo kan bewustzijn niet groeien.

In het oosten proberen we bijvoorbeeld tevreden te zijn met de dingen, zoals ze zijn. Dat schept verveling, want zo komt er nooit iets nieuws. Eeuwenlang blijft alles dan bij het oude. Stomvervelend. Natuurlijk slaap je zo beter – slapen gaat moeilijk in het westen; er moet wel slapeloosheid ontstaan als je altijd maar om iets nieuws vraagt – maar van evolutie is zo geen sprake meer. En dit zijn de twee dingen die tegenwoordig schijnen te gebeuren: je hebt ofwel te maken met een slaperige en levenloze maatschappij zoals in het oosten, ofwel met een slapeloze samenleving zoals in het westen. Geen van beide is goed. Wat je nodig hebt is een bewustzijn dat ook wakker blijft als er geen nieuwe objekten zijn. Je moet echt over een bewustzijn beschikken dat niet afhankelijk is van iets nieuws, dat niet gebonden is aan het objekt. Zodra het dat wel is, is het vanzelf ook afhankeliik van iets nieuws. Je moet een bewustzijn hebben dat helemaal niet afhangt van iets buiten je, een bewustzijn dat daaraan ontstijgt. Dan ben je vrij, dan kun je in slaap vallen als je dat verkiest en wakker zijn wanneer je maar wilt. Er is niets van buitenaf nodig om je daarbij te helpen. Je wordt vrij, werkelijk bevrijd van de objektieve wereld.
Zodra je het objekt achter je gelaten hebt, heb je ook afgerekend met het subjekt, want die bestaan alleen naast elkaar. Subjektiviteit en objectiviteit zijn in werkelijkheid twee polen van hetzelfde verschijnsel. Als er een objekt is ben jij het subjekt, maar als je ook bewust kunt zijn zónder objekt, dan is er geen subjekt – geen zelf. Dit moet heel diep doorgrond worden: als er geen objekt is en je zonder objekten bewust kunt zijn – alleen maar bewust! – dan is ook het subjekt verdwenen. Het kan onmogelijk achterblijven. Uitgesloten! Beide zijn weg en er blijft louter bewustzijn, onbegrensd bewustzijn over. Grenzen zijn weggevallen; noch het object, noch het subject  zorgen meer voor een begrenzing.

Boeddha placht te zeggen dat er in meditatie geen zelf – geen atman – is, want het bewustzijn van je eigen zelf isoleert je van al het andere. Als jij er nog bent, blijven objecten er ook nog.
Ik ben, maar dát ik kan niet bestaan in volledige afzondering: ‘Ik’ bestaat alleen in relatie met de wereld buiten jezelf; ik is een relatie.
Op die manier is het zelf – het ik ben – alleen maar iets in je dat bestaat in relatie tot iets buiten je. Zodra de buitenwereld er niet meer is, lost je binnenwereld op. Wat er overblijft is spontaan bewustzijn.

Daar dient Yoga voor. Dát betekent Yoga. Yoga is de wetenschap waarmee je jezelf bevrijdt  van subject- en object begrenzingen. En als je niet onafhankelijk bent van die grenzen, verval je ofwel in de labiliteit van het oosten of in die van het westen.

Vertaald uit:
Bhagwan Shree Rajneesh (Osho) – Meditatie de kunst van innerlijke extase. Spontane toespraken uit 1976.