het kerstverhaal is een heel precieze Inwijdingsweg voor jouw Ziel

de geboorte van de christus in jou is het enige doel

Terwijl de pelgrimstocht der ziel in het Oude Testament beschreven wordt onder de sluier van een mythisch relaas en de pseudo-geschiedenis van de Israëlieten, wordt deze in het Nieuwe Testament met veel meer details en volledigheid weergegeven in het leven van de Heiland.

Het Evangelie verhaalt ons niet alleen het leven van de Meester, doch ook de weg van de discipel, het pad dat elke ziel moet gaan en dat leidt tot het doel dat de ganse mensheid gesteld is en waartoe wij allen geleid worden, zij het in oneindig kleine stappen.

In tegenstelling tot de niet tot dit niveau innerlijk ontwikkelde mens heeft de discipel zichzelf verbonden met het goddelijk doel samen te werken. Hzij neemt de verantwoor­delijkheid op zich van zijn eigen geestelijke vooruitgang; hzij begint zichzelf te onderzoeken, zich moeilijke taken te stellen, grote dingen van zichzelf te eisen; hij begint de strenge zelfdiscipline en intensieve geestelijke training.

Hij verlaat het brede pad van de normale menselijke evolutie en wendt zich af om de steile en moeilijke weg van discipelschap te beklimmen; hij versnelt zijn pas en is al spoedig de grote meerderheid van zijn medemensen ver vooruit en sluit zich aan bij de gelederen van die weinige gevorderde zielen die altijd de leiders en pioniers der mensen zijn.

In hun voetstappen volgend aanvaardt hzij alles wat over hem komt, aangenaam of pijnlijk, alle ervaringen zowel van vreugde als van ver­driet, als kansen om te dienen, te leren, te vorderen. In een geest van opgewekte en gewillige gehoorzaamheid aan het bevel van de Allerhoogste, waagt de ziel zich nu verder, zich eindelijk bewust van haar opdracht en het glorieuze einddoel waartoe zij bestemd is. Het wil niet zeggen dat er nu geen verwarringen en moeilijkheden zijn of komen, de lessen gaan gewoon door, ze zullen echter steeds anders, dieper zijn.

Aldus wordt het pad van beproeving betreden, een proces dat zich over vele opeenvolgende incarnaties kan uitstrekken, doch de pelgrimziel tenslotte tot de poort van Inwijding brengt – een deur die tot nu toe versperd was en voor het gezicht verborgen, maar die nu open­springt en toegang verleent tot nieuwe gebieden, nieuwe kennis, nieuw bewustzijn. Volgens de oude traditionele lering wordt nu het eigenlijke Pad betreden, die Mystieke Weg, waarheen alle godsdiensten wijzen.

In de Chinese heilige boeken wordt dit de TAO genoemd

 TAO wil zeggen: de Weg, het Doel, de Reiziger

 

Er is dus geen werkelijk onderscheid tussen de weg, het doel, de reiziger. Zouden ze dan alle drie in jou aanwezig zijn? En tegelijkertijd? Om dat uit te vinden zou je op weg moeten gaan en ik garandeer je dat je antwoord zal vinden. Hoe lang je erover doet hangt van jou af, niet van de onzin die zo vaak geuit wordt door mensen die het niet gevonden hebben. Bedenk wel dat voordat je iets van taal en rekenen leerde er een leraar aan vooraf ging! Ga op zoek voor deze bijzondere leergang naar een echte Leraar. Hoed je voor bedrog, ook ik trapte diverse keren in de valkuil van de neppers.

De Hebreeuwse geschriften staan ook vol verwijzingen naar een Weg die leidt tot vreugde en bevrijding. „Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen” (Jesaja XLIII : 19). –“En aldaar zal een verhevene baan en een weg zijn, welke de heilige weg genaamd zal worden; de onreine zal er niet doorgaan … en de vrij-gekochten des Heeren zullen wederkeren, en tot Zion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen; maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (Jesaja XXXV : 8, 10). “De roofvogel heeft het  pad niet gekend en het oog der kraai heeft het niet gezien” (Job XXVIII : 7). Dit wil zeggen: een pad dat zo verborgen, innerlijk is, dat zelfs de scherpste van de uiterlijke zintuigen het niet ontwaren.

In het Hindoeïsme is dit: ‘het Pad van Inwijding’.

In de boeddhistische geschriften wordt dit ‘het Edele Achtvoudige Pad’ genoemd dat leidt tot de zaligheid van Nirvana. Het is het „Recht­streekse en Smalle Pad” van de Christelijke leer, terwijl de latere mystici het noemden ‘De Drievoudige Mystieke Weg van Verlichting, Loutering en Goddelijke vereniging.

De betekenis van Yoga is „Vereniging” / Je ontdoen van het Juk van gedachten en emoties die je een idee over ‘jezelf’ geven terwijl je niet weet Wie je bent.

In oude tijden behoorde de Inwijding tot de geheime godsdienstscholen en was zij voorbehouden aan de weinigen die op grond van het stadium dat zij bereikt hadden – zowel mentaal als geestelijk – geschikt geacht werden haar te ontvangen en die ook bereid waren om onder leiding het toegewijde leven van strenge zelftucht, diep denken en meditatie te beginnen dat hieraan verbonden was.

Zo lezen wij van de mysteriescholen in India, Egypte, Griekenland en andere delen der Oude Wereld waar de inwijdingsceremonieën regelmatig werden uitge­voerd. Wij lezen ook van de christelijke Mysteriën waar­in verborgen waarheden werden medegedeeld aan de weinigen, door middel van ritus en symbool. Maar op zijn best waren deze alle slechts Kleine Mysteriën, kopieën slechts een symbool van de echte.

Daar inwijding geen lichamelijke ervaring is, doch iets dat op de inner­lijke gebieden wordt ondergaan, kan de kandidaat slechts in diepe slaap of trance door de echte inwijding gaan. De herinnering aan deze ervaringen buiten het lichaam kunnen al dan niet aan het fysieke hersenbewustzijn worden overgebracht; het resultaat is echter gelijk.

Wat betekent “inwijding” dan eigenlijk? Wij weten dat het woord van het Latijnse „initium” komt, dat uit twee wortels gevormd is: „in” (in) en „ire” (gaan) – het betekent iets nieuws binnen gaan, een nieuw begin maken. Het is altijd een verlichting (iets waar licht op valt, iets wat ontdekt wordt), want het leidt altijd in tot iets dat tot dusverre onbekend en onvermoed was, doch het is niet slechts een magische ceremonie of een waarbij zekere krachten willekeurig verleend worden.

Inwijding kan niet verleend worden voordat de discipel gereed is, noch hem onthouden worden als hij gereed is, want zij is het gevolg en het teken van het bereiken van een bepaald ontwikkelingsstadium.

Onder primitieve volken, zoals er in delen van Afrika en Australië nog in leven zijn, markeren zekere inwijdingsceremonieën de overgang van knaap tot man. Tot aan de tijd van inwijding leeft de jongen onder de vrouwen, maar als hij oud genoeg is, wordt hij onderwezen in de dingen aangaande de mannelijke staat. Hem worden de waarheden betreffen­de het seksuele geleerd, vervolgens wordt hij onderwezen in zaken die het gemeenschapsleven raken, zoals de ver­dediging en bescherming van de stam, waarna hij op ver­schillende manieren op de proef wordt gesteld en getest wat betreft zijn moed en uithoudingsvermogen.

Sommige van deze proeven zijn zeer zwaar, met lange perioden van vasten en waken, eenzame nachten in het woud, angst voor wilde beesten, enz. Als hij de proeven doorstaan heeft, gaat hij door zijn inwijdingsceremonie, die hem gewoonlijk een of ander dood-en-opstandings­drama toont. Als dat voorbij is, kan hij zijn plaats in­nemen onder de mannen van de stam en wordt hij ten ­volle deelgenoot aan de voorrechten van hun wijder, vrijer en avontuurlijker leven, terwijl hij ook volledig zijn deel draagt van de verantwoordelijkheden en ver­plichtingen van dat leven.

In het innerlijk leven van de mens is er een parallel met het voorgaande. Tot aan een zeker tijdstip is het individu geestelijk onvolwassen, hoe ver hij mentaal ook gevorderd moge zijn. Deze kind-mens moge moreel en intellectueel zeer grote vorderingen gemaakt hebben, hij moge een onverschrokken onderzoekingsreiziger zijn, een pionier in een of andere richting die de weg ge­makkelijker maakt voor hen die later komen.

Een geleerde, een uitvinder, een leraar, arts, leider op vele ge­bieden; hij moge iemand zijn die het volle bereik van menselijke emoties heeft ondergaan, een die geklommen is tot grote hoogten van vreugde, gedaald in de diepte der wanhoop. Iemand die veel liefgehad en zwaar geleden heeft, toch kan hij geestelijk nog onvolwassen zijn, zich niet van zichzelf bewust in zijn ware aard als een on­sterfelijk wezen, als een kind van God, dat het zaad der Goddelijkheid in zich draagt. Noch zijn latente potentiali­teit kent van onvoorstelbare pracht, wijsheid en macht.

Tenslotte zal de tijd komen dat zijn ziel meerderjarig wordt, en dan zal de mens die geheel in de dingen van het uiterlijke was opgegaan, moe beginnen te worden van de vaak herhaalde genoegens, de steeds weerkerende pijn en hij begint tastend te zoeken. Eerst zwak, maar steeds vasthoudender, naar enige kennis der Werkelijk­heid, meer blijvende vreugde, een grotere openbaring van waarheid en schoonheid. Dan bemerkt het Hoger Zelf van deze mens dat de tijd gekomen is een stap voorwaarts te zetten en de Wachters van het mensenras, de Groten die onze menselijke evolutie leiden, kiezen dat individu uit voor zekere instructie en voorbereiding, zekere tests en toetsingen om hem voor de uiteindelijke inwijding geschikt te maken. Dit komt onveranderlijk eerst als kennis van nieuwe dingen, welke het leven openstelt in een richting die tot dusverre onbekend was en het kan op allerlei onverwachte manieren komen. Een lezing, een boek, een toevallig woord, kunnen het brengen, een grote vreugde of een verpletterend verdriet kunnen het verhaasten, maar op een of andere manier wordt deze lering geboden juist als het individu gereed is deze te ontvangen.

Als deze openbaring verleend is, moet het toetsen volgen of die mate van waarheid ook geassimileerd is, want deze wordt niet medegedeeld om alleen maar intellectueel geaccepteerd te worden, doch om er naar te leven; daarom moet deze kennis in het dagelijks leven gebracht worden en omgezet worden in menselijke ervaring om daar op zijn waarde te worden beproefd. Voordat zij aldus is geassimileerd kan er geenszins meer bereikt worden.

Het is daarom een gebruikelijk gezegde geworden dat, als iemand het hogere leven van bewust pogen begint te leiden, er onmiddellijk wat men noemt „slecht karma” over hem komt. Allerlei moeilijkheden kruisen zijn pad. Maar laten wij direct erkennen dat er niet zoiets is als „slecht” karma. Er zijn situaties die inderdaad verbijste­rend en verwarrend zijn; er zijn soms zeer lange perioden van spanning en druk; maar dit zijn gelegen­heden om de mate van waarheid die ontvangen is te toetsen en als deze problemen en moeilijkheden niet werden geboden zouden er ook geen gelegenheden of kansen zijn deze waarheid te bewijzen en toe te passen.

Zo gaat de discipel voort, vele levens doorbrengend in dit pogen om te leren en beproefd te worden, en steeds opnieuw te leren en beproefd te worden; totdat eindelijk de poort van inwijding is bereikt; de ingang tot het eigenlijke Pad, de „rechtstreekse en smalle weg” naar de redding.

In de occulte tradities wordt dit laatste pad verdeeld in vier stadia, waarvan elk een nieuwe mate van ver­lichting brengt waardoor de discipel het resultaat ervaart van zijn eigen geestelijke ontplooiing.

Men leert ons dat, als de vierde inwijding voorbij is, de ziel bevrijd is van de aantrekking van het aardse leven; zij kan niet meer in de draaikolk van het fysieke leven getrokken worden, is niet langer gebonden aan het wiel van begeerte; de ziel heeft de bevrijding bereikt en haar ontwikkeling op dit gebied is volbracht.

De ziel is niet meer gedwongen te incarneren, al kan zij wel vrijwillig terugkeren, want het staat de Meester van Wijsheid, wat hij nu is, vrij binnen de sfeer van de aarde te blijven met het doel de mensheid te helpen, zijn zwakkere broeders behulpzaam te zijn en de geestelijke evolutie van het ras te bevorderen. Voor dat doel zal hij van tijd tot tijd incarneren in een lichaam dat hij voor zichzelf schept. Zo lezen wij in de boeddhistische geschriften van de geloften afgelegd door de grote Bodhisattva’s of Redders, Heilanden, dat zij, afstand gedaan hebbende van de zaligheid van het Nirvana, in hun oneindig mededogen voor het mensenras, aan deze zijde van de drempel blijven totdat de laatste, de zwakste en meest zondige der mensen ook gered is.

Dat is ook de gelofte van de Christus en zijn belofte aan de mensen. “En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal leen allen tot Mij trekken” (Joh. XII : 32); en ook “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld” (Matt. XXVIII : 20).

De vijfde inwijding markeert het einde van het Pad voor zover betreft onze menselijke cyclus. Zij opent de deur tot het Geestelijk Koninkrijk, dat een trap hoger staat dan het menselijke in de orde der evolutie. Deze vijfde verlichting is dus de laatste planetaire inwijding en de eerste in die volgende, hogere cyclus die genoemd wordt de solaire inwijding. Dit is de stap tot vervolmaking als Aarde Mens, de verwezenlijking van de Christus, of de Boeddha, of liever nog de no-mind, het stadium voorafgaand aan het denkend vermogen. In dit stadium is het verstand uitsluitend een nuttig zuiver instrument in dienst van de Ziel, de Geest, of hoe je het verder wil noemen.

Het Kerstverhaal als Inwijdingsweg

Na deze uiteenzetting kunnen wij ons wijden aan het bestuderen van het Pad van Inwijding zoals dit in het Evangelie wordt onthuld.

1) Het voorbereidende stadium waarin de discipel zich definitief verbindt om dit pad te volgen, is de bereidwillige en vreugdevolle overgave van de persoonlijke wil die wordt aangeduid met de Verkondiging aan Maria.

“Zie, de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw woord” (Lukas I : 38).

De dienstmaagd (Maria) des Heren duidt op de ziel (het denken en voelen in het engels ‘mind‘) dat altijd maagdelijk is (in haar essentiële aard altijd zuiver, rein) die zichzelf ten dienste van de Heer, de Geest, de Schepper opstelt.

2) Het woord, ofwel de gedachte van een zuivere ziel die in dienst werkt van de Geest (i.p.v. de wereldse begeerten en verlangens), zal altijd een overeenkomstige zuivere manifestatie weergeven.

3) Het tafereel der Verkondiging vindt plaats te Nazareth, een woord dat „apart gezet” betekent. Wat duidt op een staat van toewijding van de mens. Op oude kaarten en in oude geschriften is geen werkelijke plaats als zodanig bekend, noch wordt deze in het Oude Testa­ment, de Talmoed of enige andere literatuur uit die tijd genoemd. Het is klaarblijkelijk een mysterienaam, met opzet gebruikt voor het doel van de allegorie (symbolische voorstelling).

3) Tot de gereinigde “apart gezette” ziel komt dan Gabriël, dat “kracht van God” betekent. Het wil zeggen dat de goddelijke kracht vanaf nu binnen in het hart verwerkelijkt gaat worden. De heraut ofwel de vertegenwoordiger van de Heer en de belofte van het Christusleven zal vanaf nu gevestigd worden.

4) De voor-­geboortelijke periode (prenatale periode) die volgt op deze aankondiging, wijst op de tijd die moet verstrijken en waarin de discipel het pad van be­proeving en opdoen van ervaring volgt. Dit pad kan zich over een lange tijdsperiode uitstrekken, wellicht vele incarnaties, maar het leidt tenslotte tot de eerste der Grote Inwij­dingen, de geboorte van Christus.

Inwijdingssymboliek

In de vier inwijdingen, zoals beschreven in de Evangeliën, zitten bepaalde zaken die steeds weer­keren. In het voorgaande verhaal duidt de nummering op de vier stappen van de Inwijdingsweg, want iedere Inwijding heeft dezelfde stappen gemeen. Er is altijd:

1)           een op weg gaan; een reis of een zoektocht; een zoeken naar iets

2)           een woord dat gesproken wordt; een machtswoord

3)           een teken dat gegeven wordt

4)           een periode van beproeving.

Deze stappen vormen tezamen de eigenlijke inwijding, waarop de periode van beproeving volgt.

De Eerste Inwijding

1)           Bij de eerste inwijding is het zoeken, het uitgaan: de reis naar Bethlehem (“het huis des broods”), het betekent het zoeken naar het innerlijk bewustzijn. Want als dit nieuwe bewustzijn opengaat, verschaft dit het voedende en versterkende element dat de ziel nodig heeft. De betekenis van brood: “wat elementair is”; hier “zonder hemelsbrood, geen leven”.

2)              Het “woord” is het hemelse Gloria gezongen door het engelenkoor, de vreugdevolle begroeting van het Hoger Zelf aan het nieuw geboren leven.

3)           Het “teken” is de ster in het Oosten, de schitterende ster der Mysteriën, welke wijst op de verlichting van het denkvermogen, de nieuw ontdekte wijsheid. Het “Oosten” is een mystieke duiding van een nieuwe dageraad, de geboorte van een nieuwe tijd.

In het exoterische (wereldse) verhaal uit de Schrift lezen wij dat het Heilige Kind geboren wordt in een stal, doch de traditie associeert de geboorte hardnekkig met een grot of spelonk. Deze grot van inwijding, een veel voorkomende vorm in de mysteriecultus van oudere godsdiensten, is het menselijk hart. Dikwijls wordt in figuurlijke zin gezegd dat Christus geboren wordt in het hart; dit is letterlijk waar omdat juist in de liefde-aard het nieuwe bewustzijn zich ontwikkeld.

4) Vanaf dat moment groeit het individu van de persoonlijke liefde tot bepaalde mensen, de natuur en andere zaken naar een diepere liefde, die tenslotte de gehele mensheid zal omvatten. Door de eerste inwijding wordt in feite het hartcentrum in werking gesteld, waardoor de innerlijke krachten worden gestimuleerd en aldus de geestelijke ontplooiing sterk wordt versneld. Tot voor de eerste inwijding speelt het hart geheel niet mee, maar leeft de mens vanuit zijn eerste drie chakra’ s ofwel vanuit een reactief, een dierlijk bewustzijn. Doordat in het land der blinde Eenoog koning is valt dit niet op, en is dit feit moeilijk te accepteren. Toch zijn Herkennen, Erkennen, Accepteren en in Liefde onderzoeken (HEAL) belangrijke stappen naar en op de Inwijdingsweg tot Zelfrealisatie.

Zuivering van de lichamelijke aard

Elke inwij­ding houdt verband met een bepaald aspect van ‘s mensen wezen en belevendigt verschillende kracht­centra in hem. De eerste drie inwijdingen hebben betrekking op de lagere drie-eenheid en corresponderen met de elementen aarde, water en vuur.

De eerste inwijding die gericht is op de zuivering van de lichamelijke aard, correspondeert met het element aarde. In de „stal” of de „grot” kunnen wij een zinspeling zien op ‘s mensen lagere natuur waarin het hogere bewustzijn nu ontwaakt. In de nederige dieren – de os, de ezel – de dierlijke aard, welke gedisciplineerd wordt en getraind tot dienst­baarheid; terwijl wij in de vervolging van Herodus de strijd onderkennen tegen het vlees die opnieuw uitbreekt in de toegenomen moeilijkheden en sterkere verleidingen die altijd op verlichting volgen.

De kribbe en de doeken herinneren ons aan het graf en de windselen der oude mysterieculten. Zoals elke geboorte (ontwaking) een dood (beëindiging) is van het voorgaande, en elke dood een geboorte, zo zijn ook deze symbolen onderling verwisselbaar en zij komen ook weer voor in het verhaal van de kruisiging. “Voordat je sterft, zal ik niet in jou geboren worden” is een uitspraak van Jezus, waarbij met “je” gedoeld wordt op het ego; anders gezegd onze behoefte natuur.

De door de Koningen (Magie) meegebrachte ge­schenken – goud, wierook en mirre – vertegenwoordi­gen wijsheid, devotie en opoffering, (d.i. het opdragen van gedachte, gevoel en handeling) en vormen de drie­voudige offering van zichzelf aan de Allerhoogste, welke de discipel nu maakt.

Deze geschenken corresponderen met episoden uit de lijdensweek, waar goud de prijs van het verraad is, wierook de „zoete specerij” meegebracht voor de begrafenis, en mirre de bittere drank die aan het kruis werd gegeven.

Het nieuwe geestelijke bewustzijn wordt eerst herkend door de intuïtie (de herders op het veld) en later door het verstand (de wijzen), terwijl de daarop volgende vlucht naar Egypte (onderwerping aan de toestanden van het fysieke gebied) aangeeft de expressie op het uiterlijke gebied welke het geestelijk leven noodzakelijk moet vinden. Wat wil zeggen het uitdrukken van de innerlijk begrepen waarheid in menselijk pogen, handelen en dienen.

Geboorte van Innerlijk Bewustzijn

Wat is dan, in de occulte betekenis, dit proces van geboorte geven aan Christus? Deze vraag wordt beant­woord in de woorden van Jezus, gesproken tot iemand die tot hem kwam om in het geheim te vragen naar Zijn Leer. “Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan” (Joh. III : 5). “Water” wordt in de bijbelse taal steeds als een symbool gebruikt voor de ziel.

Waar dit ziele-element verenigd wordt met de Geest, wordt het zaad der Goddelijkheid van leve voorzien. De Geest is de vader die het leven schenkt. De ziel is de moeder die dat leven in zich ontvangt, het voedt en bekleedt met haar eigen substantie. Zoals de wereldse moeder haar vrucht een lichaam geeft naar haar stoffelijke en innerlijke toestand (substantie) van dat moment (de bevruchting en prenatale periode). Hier wordt met substantie gedoeld op de vorm ofwel het Geestelijk lichaam dat gevormd wordt, waarin de Geest zich zal openbaren (de Christusgeest). Op deze wijze brengt het individu haar eigen redder en bevrijder voort zoals Maria, overschaduwd door de Heilige Geest, Jezus voortbrengt.

De pleegvader, of het mentale toezicht door het denkvermogen

Jozef is in zeer reële zin de pleegvader, daar hij een aspect van het denkvermogen typeert en een bepaalde taak heeft te vervullen namelijk het beschermen en bewaken van het ontwaakt bewustzijn, want in het begin moet dit nieuwe gewaarzijn onderworpen zijn aan de bescher­mende controle van het denkvermogen, zoals het kind Jezus onderworpen is aan Jozef. Door de hulp en de waakzaamheid van het denkvermogen, wordt het geestelijk bewustzijn gericht op het uiterlijke rijk van handeling, zoals Jezus door Jozef meegenomen wordt naar Egypte (In het Oude Testament vervult Jozef dezelfde taak voor zijn familie, hen vooruitgaande, beschermende en voor hen zorgende in Egypte).

Als in een later stadium het geestelijk leven gerijpt is, ontgroeit het aan de noodzaak van mentale controle (of mentaal toezicht); in het Evangelieverhaal zien wij dan ook dat Jozef verdwijnt en de traditie bevestigt dat hij stierf toen Jezus zijn dertigste jaar inging, of het punt waarop de openbare prediking van de Meester begon.

De Tweede Inwijding

Wij komen thans tot de tweede Inwijding, de Doop. Tussen de eerste en tweede inwijding kan een zeer lange tijd verlopen en in het beschreven verhaal van Jezus zien wij dan ook dat de langste periode – dertig jaar – zich uitstrekt tussen zijn geboorte en doop.

De drie tekens der inwijding worden herhaald.

1)       De reis is het gaan tot de Jordaan, de heilige stroom, altijd symbolisch voor her-scheppende kracht.

2)      Het woord komt uit de hemelen – “Deze is Mijn geliefde Zoon” – er op wijzend dat de ziel de staat van Goddelijk Zoonschap gereali­seerd heeft.

3)      Het teken is dat van de duif, symbool voor een uitstorting van de Geest.

(In oude mythologieën vertegenwoordigen vogels de Goddelijke leiding en zijn boodschappers van Goden. Speciaal de duif is, wegens zijn witte veren en zachtaardigheid, een zeer oud symbool voor de Geest).

Wij lezen verder dat de Heer na de doop door de Geest naar de “woestijn” (plaats van beproeving) werd geleid. De verleidingen die hier beschreven staan, zijn geheel van subjectieve aard en hebben geen betrekking meer op de grovere lichamelijke verlangens, doch met de meer arglistige verlangens van het innerlijk leven, de verleiding om occulte krachten te misbruiken ten eigen bate (“Zeg, dat deze stenen broden worden!”), de verleiding om de aandacht te trekken met opzienbarende verschijnselen (“Werp Uzelven nederwaarts”) en tenslotte: de verleiding om voor roem en faam te werken teneinde te winnen “de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid” (Matt. IV: I – II).

Geboorte van het hart

Deze inwijding is in het bijzonder verbonden met de emotionele aard; daarom spelen de gebeurtenissen zich ook af bij een rivier, waar het water weer zoals altijd symbolisch is voor het begeerteleven van de ziel.

Het centrum dat door deze inwijding belevendigd wordt is dat van de keel, dat nauw in verband staat met het spraakvermogen. Daar­om spreekt de discipel zich na deze ervaring definitief uit in het uiterlijke leven, want hoewel zijn arbeid vanaf dit tijdstip niet altijd gericht moge zijn op onderricht, spreken en predikatie, moet zij toch een volgehouden pogen zijn gericht op de vervulling van het goddelijk doel.

In een Indisch geschrift lezen wij: “Hij baadt, want voorwaar de mens is onrein; hij is vuil van binnen … en water is rein” (Satapatha Brahmana). Deze duiding wordt door o.m. moslims en hindoes als het baden van het fysieke lichaam opgevat.

Sinds de oudste tijden en vele wijdverspreide godsdienstige systemen hebben besprenkelingen, wassingen of onderdompelingceremoniën de wedergeboorte of de geestelijke verlichting ge­symboliseerd. Uit bepaalde passages in de geschriften van de vroege Kerkvaders blijkt duidelijk dat de doop in de primitieve Kerk ingesteld werd als sacrament gericht op de zuivering van de begeerteaard.

Justines de Martelaar (A.D. 100-I65), verzoekt de kandidaat een of twee dagen voor deze wassing, welke naar hij zegt Verlichting wordt genoemd, te vasten. “Wat is het nut van die doop welke alleen het vlees en het lichaam reinigt? Doop de ziel van toorn, van afgunst en haat, en ziet! het lichaam is rein!”.

Dat de mens symbolisch tot nieuw leven gebracht, herboren wordt door het water, is het idee dat ten grond­slag ligt aan het beeld van de Christus als een vis. We vinden dat terug in de kunst der catacomben en in de litera­tuur van de tweede eeuw.

In het voorwoord van zijn werk „Over de doop” zegt Tertullianus: “Wij kleine vissen, naar het voorbeeld van onze Vis, Jezus Christus, worden geboren in het water”.

Hieronymus zegt, dat de jood die hem Hebreeuws leerde, hem een Rabbinale leer mededeelde dat de innerlijke mens die “op het dertigste jaar geboren” wordt (mystiek de tijd der geestelijke wedergeboorte) beter is dan hij die “uit de moederschoot geboren” is.

Jezus voegde zich naar dèze traditie door zichzelf ten doop – wedergeboorte door het water – aan te bieden op zijn dertigste jaar, aan

de „rivier van God”, de Jordaan, de geestelijke herscheppende stroom van Goddelijkheid.

Groeiend bewustzijn

Het rechtstreekse en smalle pad van inwijding, dat de ziel moet gaan, moet niet gezien worden als een moeilijke steile weg, die recht naar het doel leidt, maar eerder als een spiraal, een ononderbroken lijn die steeds op zijn richting terugkeert doch immer een hoger niveau bereikt. De ziel moet daarom bij elk stadium van vooruit­gang, terugkeren tot een punt overeenkomend met een reeds eerder bereikt punt, doch dit telkens ervaren op een hoger bewustzijnsniveau. Hierop wijst het inwijdings­verhaal in het Evangelie, waarin de Meester, de Oudere Broeder van het ras, de vorm en voorloper van de vervol­maakte mensheid, in Zijn leven de stappen toont waar­langs alle mensen moeten volgen, en zo wordt in dit drama de geestelijke ontplooiing in het kort weer­gegeven.

Van Zelfontdekking tot Zelfverwerkelijking

Wij hebben gezien, dat het verhaal der Geboorte verwijst naar de mystieke geboorte van Christus in het hart, waardoor in het uiterlijk bewustzijn het besef levend wordt van een Goddelijk inwonen: de ontdekking door de ziel van het ware Zelf. Wanneer wij deze geboorte de “zelfontdekking” noemen, dan is de Doop die daarop volgt de “zelfverwerkelijking”.

Het symboliseert de door de ziel verkregen zekerheid van een staat van Goddelijk Zoonschap waarna zij vol vertrouwen aanspraak maakt op haar ontzaglijk en heerlijk erfdeel.

Dit alles gaat vooraf aan de derde en vierde inwijding.

De Inwijdingen op een rij

1e) Transformatie van de fysieke aard ofwel het gedreven worden door de zintuigen, het reactieve verstand

2e) Transformatie van de gevoelsaard, het ontwikkelen van Liefde van het hart

3e) Transformatie van het denkvermogen door de Geest geïnspireerd

4e) De totale transformatie dat in wezen de transcendentie is: de Christus verwezenlijkt

===========